Venster 4 van de Osse Canon
Heren en horigen
(Circa 800 tot 1300)
De meeste mensen in middeleeuws Noordoost-Brabant leven van het land en zijn boer. Zij zijn als horigen niet vrij en horen bij het grondgebied van hun heer. Bovendien is 1/10e deel van de oogst, de tiende, bestemd voor de kerk. Maar tegenover allerlei plichten staan ook rechten. De heer biedt de horigen rechtszekerheid en veiligheid.
Het rivierengebied in Midden-Nederland was rond 800 na Christus dichtbevolkt, zeker vergeleken met de hoge zandgronden. Die aantrekkingskracht dateerde al uit de Romeinse tijd. De Merovingische en Karolingische vorsten uit de vroege Middeleeuwen zagen zich als opvolgers van de Romeinse keizers en beschouwden het vruchtbare rivierengebied als hun terrein. Hier lagen uitgebreide koningsgoederen, die als domein uitgebaat werden. Een domein bestond meestal uit twee delen. Het hof (curtis) met het zogenaamde saalland (het land van de heer) vormde het middelpunt. Daaromheen lagen de boerderijen van de horige boeren.
De meeste mensen in middeleeuws Noordoost-Brabant leefden van de landbouw. De boeren op het domein waren als horigen aan de grond gebonden en moesten zich onderwerpen aan het gezag van hun heer met alle bijbehorende verplichtingen. Ze waren niet vrij om te gaan en staan waar ze wilden. Ook waren de boeren meestal geen bezitter van de grond, ze hadden slechts gebruiksrecht. Een voogd beheerde namens de heer het domein. Hij zorgde ervoor dat de boeren op het land van de heer en het centrale hof werkten, dit waren de zogenaamde heren- of karweidiensten. Ook regelde hij dat boeren een gedeelte van hun eigen oogst afstonden aan de heer.
De relatie tussen heer en horige boer kon niet zomaar beëindigd worden. Dit ging over van generatie op generatie. Maar tegenover allerlei plichten stonden ook rechten. De heer bood de horigen rechtszekerheid en veiligheid. Dit ‘hofstelsel’ was een functioneel economisch systeem in de vroege middeleeuwen, waarin nauwelijks geld in omloop was en veel draaide om zelfvoorziening.
De Karolingische vorsten richtten de eerste parochiekerken op. Voor de stichting en onderhoud van de kerk en het levensonderhoud van de priester werden tienden geheven van de oogst (1/10e deel) van de horige boeren. De tienden werden pas in 1907 in Nederland afgeschaft.
Het koningsgoed in het noordoosten van Brabant raakte in de loop van de tijd versnipperd. Sommige voogden gingen zich steeds meer als heer van hun land gedragen. Bovendien schonken latere vorsten koningsgoederen aan abdijen, kloosters en kapittelkerken uit het oude centrale gebied van de Karolingers, de bovenstroom van de Maas en Rijn. Deze geestelijke instellingen zorgden voor stabiliteit in een periode waarin het gezag van de koningen verminderde als gevolg van de invallen van Vikingen. Zo had de abdij van Echternach, opgericht door St. Willibrordus, bezittingen, tienden en de kerk in Oss, goederen en tienden in Berghem, bezittingen in Megen en Demen en waarschijnlijk ook in Deursen en Dennenburg.
Door het rijke bezit van de geestelijke instellingen in het noordoosten van Brabant bleef de oude horigheid langdurig en hardnekkig voortbestaan. Maar in de loop van de dertiende eeuw verkregen steeds meer boeren economische vrijheid, vooral dankzij de hertogen van Brabant, die plaatsen met economische centrumfuncties stedelijke vrijheden gaven. De oprukkende geldeconomie zorgde eveneens voor ontbinding van het hofstelsel. Oude verplichtingen werden in cijnzen en pachten omgezet en de boeren waren voortaan vrij van herendiensten.
Bijdrage: Tiny Romme